SAMENVATTING

Triazolen vormen de hoeksteen van de behandeling van aspergillose. De toenemende azoolresistentie in Nederland en de verhoogde sterftekans bij patiënten die ondanks resistentie worden behandeld met voriconazol hebben er echter toe geleid dat bij de diagnostiek voor en empirische behandeling van invasieve aspergillose rekening moet worden gehouden met azoolresistentie. Azoolresistente stammen zijn voornamelijk afkomstig uit het milieu, waardoor ook bij patiënten zonder voorbehandeling met azolen rekening moet worden gehouden met resistentie. Indien een Aspergillus fumigatus-stam is geïsoleerd, wordt geadviseerd om op azoolresistentie te screenen of een ‘minimal inhibitory concentration’-test te verrichten. Om de detectie van azoolresistentie bij kweeknegatieve patiënten mogelijk te maken, zijn moleculaire technieken ontwikkeld die op klinisch materiaal direct resistentiemutaties kunnen aantonen. Als gevoeligheid nog niet bekend is, wordt geadviseerd om de behandeling te starten met voriconazol of isavuconazol, in combinatie met liposomaal amfotericine B of een echinocandine. Indien gevoeligheid voor voriconazol vervolgens wordt bewezen, kan worden gede-escaleerd naar voriconazol of isavuconazol. Bij aangetoonde azoolresistentie wordt geadviseerd te behandelen met liposomaal amfotericine B.